De werkelijke verlangens en behoeften die schuil gaan onder jou eetstoornis!

Ik wil waardering en respect!

Sofie:
Ik heb wel eens gelezen dat de diepste menselijke behoefte gerespecteerd en gewaardeerd worden is. Voor de meesten is er geen ergere straf te verzinnen dan niet te worden gezien of opgemerkt. Het beeld dat we van onszelf hebben, wordt mede gevormd door hoe anderen over ons denken. Wie door zijn omgeving als loser wordt gezien zal geen hoge pet van zichzelf hebben. Het omgekeerde geldt ook: wie door anderen wordt geprezen vanwege zijn successen, zal zichzelf niet omschrijven als een domoor. Hier geldt wel dat de ene persoon er gevoeliger voor is dan een andere persoon.

Met onzekerheid word je niet geboren. Vanaf je geboorte tot rond je tweede levensjaar leef je in onschuld en verwondering. Je gedrag wordt ingegeven door je natuurlijke instincten van nieuwsgierigheid, speelsheid en waaghalzerij. Na je derde jaar begin je langzaam maar zeker overtuigingen van andere mensen, vanuit je cultuur en opvoeding over te nemen. Ook creëer je ze zelf onbewust door levenservaringen. In de loop der jaren bouw je dus een heel arsenaal aan overtuigingen op. Overtuigingen hebben tot gevolg dat je sommige informatie uit de 'buitenwereld' wel oppikt en andere niet. Overtuigingen zijn de grootste richtinggevende kracht voor je gedrag. Overtuigingen kunnen je helpen maar ze kunnen je ook belemmeren. ‘Ik ben niet leuk’, ‘ik ben nou eenmaal zo’, ik kan niets’… zijn uitspraken die wijzen op een belemmerende overtuiging. Deze belemmerende overtuigingen hebben jaren een rol in mijn leven gespeeld.

 Fotografie Ethan Robertson, unsplash.com

Fotografie Ethan Robertson, unsplash.com

Samen met mijn ouders en mijn oudere broer ben ik opgegroeid in een klein dorpje in Brabant. Als baby en peuter was ik naar horen zeggen soms een pittig meisje maar als kleuter en jong meisje was ik een vrolijk kind. Tenminste, ik gedroeg me vrolijk. Maar achter die vrolijkheid schuilde op sommige momenten ook vaak enige onzekerheid. En uit onzekerheid gedroeg ik me zoals ik dacht hoe andere mensen mij wilde zien. Ik hoopte hiermee bevestiging of waardering te krijgen. Ik wilde aardig gevonden worden. Hierdoor deed ik soms dingen die mijn eigen grenzen overschreden. Ik waaide met alle winden mee. Afhankelijk van de situatie gaf ik een ‘geaccepteerde’ mening. Naar mijn eigen mening luisterde ik niet. Wat zouden andere mensen van mij vinden als ik een andere mening zou hebben? Ik hield me veelal bezig met het vergelijken van andere mensen. Door mijzelf continu te vergelijken met anderen en de ander altijd mooier, geleerder en leuker te vinden, daalde mijn lage eigenwaarde die ik in mijn jeugd had naar een dieptepunt.

Complimentjes gingen mijn ene oor in en het andere oor uit maar kritiek dat op mij gericht was kon ik niet loslaten. Opmerkingen die in mijn kinderjaren/jeugd zijn gemaakt weet ik nu nog maar al te goed. Omdat ik mij altijd sterker voordeed dan hoe ik me werkelijk voelde, wisten weinig mensen van mijn onzekerheid af. Ik had vriendinnetjes, lieve ouders, we gingen vaak op vakantie, een prima leventje toch? En inderdaad er zaten zeker ook hele leuke periodes tussen. Periodes van plezier maken, feestjes, met vriendinnetjes spelen. Ik koester deze momenten zeker. Maar ze hebben helaas niet bijgedragen aan het ontwikkelen van mijn eigenwaarde. De waarde die ik aan mezelf hechtte baseerde ik ook op het halen van prestaties. ‘Als ik een goed cijfer haal…’,  ‘als ik veel verdien…’, ‘als ik er goed uitzie…’ dan ben ik waardevol. En als ik waardevol ben dan word ik geaccepteerd door andere mensen. Ik maakte mijn eigenwaarde afhankelijk van allerlei (te hoge) eisen die ik aan mezelf stelde. Goed was nooit goed genoeg. Ik legde de lat steeds hoger.

Hoewel ik niet te dik was ben ik in de laatste klas van de middelbare school gaan lijnen. Ik was toen 16 jaar. Het lijnen ging mij goed af. Eindelijk iets dat me wel goed afging. De complimentjes hierover stimuleerde mij om door te gaan. Ook toen de complimentjes overgingen in bezorgdheid. “Nog één kilo mam, dan stop ik echt met lijnen”. Maar in plaats van te stoppen met lijnen stond ik bij de drogist te informeren naar laxeermiddelen. Een half jaar later werd ik met flink ondergewicht opgenomen in het ziekenhuis; anorexia. Hoe mager ik ook was, ik zag het niet. En de angst om aan te komen was enorm.

Het bereiken van een lager gewicht gaf mij een gevoel van overwinning en eigenwaarde. Zwaarder worden zag ik als falen, zwakte en gebrek aan discipline.

Vanaf dat moment was iedere dag een strijd, een strijd waarvan ik niet wist of ik ‘m ging winnen. Ik wilde wel ‘beter’ worden maar niet aankomen. Meerdere keren ben ik maandenlang opgenomen geweest in gespecialiseerde klinieken. In de kliniek kwam ik in gewicht aan maar thuis kon ik het eetpatroon van de kliniek niet vasthouden waardoor meerdere terugvallen onvermijdelijk waren. In de kliniek werd er in eerste plaats gewerkt aan het normaliseren van je eetpatroon en het aankomen in gewicht. Dit nam zoveel tijd en energie in beslag dat ik mij minder concentreerde op de therapieën en de individuele gesprekken om de eetstoornis aan te pakken.

Lichamelijk ging het na ontslag even wat beter met mij maar mijn sterke belemmerende overtuigingen hielden de eetstoornis in stand.

Ik besefte toen ook dat het niet het gewicht was die mij geestelijk kapot maakte maar de gedachten die ik had over eten en over mezelf. Hoe langer de anorexia in mijn lijf zat, hoe moeilijker ik het vond om afscheid te nemen van deze ziekte.

Naast de ellende die de anorexia veroorzaakte, gaf het mij ook houvast, een gevoel van controle. De dagen leken allemaal op elkaar; calorieën tellen, bewegen, piekeren. Bewegen was een must. Of ik zin had of niet, ik moest fietsen. Fietsen door de regen, fietsen door de sneeuw. Het moest, het moest van mezelf. Mijn gezondheid interesseerde mij niet, al zou ik dood neervallen. Piekeren deed ik heel de dag door. Piekeren over of ik wel of niet zou eten en als ik van mezelf mocht eten dan piekerde ik over wat ik zou gaan eten. En als ik dan had gegeten, al was het alleen een stukje komkommer, dan piekerde ik over hoe ik de calorieën zo snel mogelijk kon kwijtraken.

Ik hoefde mij niet bezig te houden met het ‘echte leven’. Het leven waarin beslissingen genomen moeten worden, het leven dat vol zit met het nemen van verantwoordelijkheden.

Ik wilde leven in mijn eigen veilige wereldje waar ik de regie had. Mijn ouders en mijn broer voelden zich machteloos. Zij zagen mij steeds verder wegglijden maar konden niets anders doen dan toekijken en hopen dat ik ging inzien dat ik hulp nodig had. Sommige mensen uit mijn omgeving gaven mijn moeder het advies om mij op een stoel vast te binden en het eten desnoods naar binnen te proppen. Voor een buitenstaander is het niet voor te stellen hoe het leven in een gezin met een familielid met anorexia er uit ziet. De ruzies, het verdriet, de angst en de discussies over het niet-eten was iedere dag een aanslag op ons gezin. Iedereen binnen ons gezin moest wijken voor mijn eetstoornis. Op momenten dat ik at at ik het liefste alleen. In een plastic tasje liep ik met mijn bordje, bestek en eten naar boven waar ik op een dwangmatige manier mijn eten tot me nam. Over elk hapje moest ik vijf minuten doen.

In de tijd dat ik van mezelf moest puzzelen mocht ik pas een hap nemen als ik een juist antwoord op een juiste vraag had gegeven.

Het contact met vriendinnen werd steeds minder. Niet alleen mijn familie maar ook mijn vriendinnen vonden het steeds moeilijker om met mijn veranderde gedrag om te gaan. Ik zonderde mij het liefste af zodat niets of niemand mij in de weg stond bij het uitvoeren van mijn eigen regels. Niemand mocht mij storen als ik aan het piekeren was. Niemand mocht mij storen als ik met eten en niet-eten bezig was. Net als bij mijn familie wilde ik ook niet in aanwezigheid van andere mensen eten. Etentjes ging ik uit de weg en ook op feestdagen zoals verjaardagen en Kerstmis was ik het liefste onzichtbaar. Weken voor zo’n feestdag piekerde ik mij suf over hoe ik die dag moest doorkomen. Als ik niet onder een etentje uit kon komen dan belde ik naar het restaurant op om te informeren of ze ook vetvrije kleine maaltijden hadden. En met een vetvrije maaltijd bedoelde ik een kleine portie gekookte sperziebonen.  

Ik kon liegen als de beste. Niet-eten, bewegen en studeren stonden bij mij op de eerste plek.

Aan mijn motivatie lag het niet maar vanwege gezondheidsredenen heb ik meerdere opleidingen moeten beëindigen. Het was een eenzame tijd. Als mijn vriendinnen op vrijdagavond op stap gingen voelde ik me nog eenzamer. Op die momenten maakte ik me zo klein mogelijk en kroop dan huilend op mijn slaapkamer tegen een warme verwarming aan. Doordat ik vel over been was voelde ik mijn ruggengraat tegen de harde verwarming maar de warmte had ik nodig om op temperatuur te komen. Dit was mijn manier om de dagen door te komen.

In de eerste jaren van mijn eetstoornis voelde ik mij gek genoeg heel sterk. Hoe dun ik ook was ik had het idee dat ik lichamelijk de hele wereld aan kon. Ik overschreed mijn eigen grenzen. Ik wilde niet moe zijn. Ik mocht niet moe zijn. Na meerdere terugvallen voelde ik dat mijn lichaam steeds meer opraakte. Door de ondervoeding en vermagering traden steeds meer lichamelijke klachten op. Mijn spieren begonnen zeer te doen. Als gevolg van ondervoeding ging mijn lichaam letterlijk mijn spieren opeten. Mijn haren vielen uit maar als gevolg van de lage lichaamstemperatuur ontstond er in mijn gezicht en op mijn armen, borst en rug juist een donsachtige beharing. Dit beschermde mij tegen de kou. Mijn handen en voeten waren altijd paars door de slechte doorbloeding. Ik had last van een trage hartslag en een lage bloeddruk en mijn menstruatie is jaren weggebleven. Hoe langer mijn eetstoornis een deel van mijn leven uitmaakte hoe meer andere klachten ik er bij kreeg. Naast het overmatig bewegen en het compulsief bezig zijn met niet-eten werd ander gedrag ook steeds dwangmatiger.

Ik wilde alles onder controle hebben. De koffie- en theekopjes moesten van mij allemaal gelijk staan met het oortje naar rechts, mijn kleding moest op kleur hangen van donker naar licht en keurig in stapeltjes, en met een liniaal ging ik iedere dag na of mijn interieur wel goed stond.

Dit is nog maar een fractie van alle handelingen die mij bezig hielden. Ook op het gebied van eten wilde ik de regie hebben. Zo zocht ik in de supermarkt naar appels van een bepaalde grootte. De appel sneed ik in een bepaalde volgorde en deze stukjes at ik in een bepaalde volgorde en in een door mij voorgeschreven tijd op. Over een appel deed ik ruim een uur. Als ik at dan moest dit perse op het tijdstip wat ik voor ogen had, geen minuut eerder of later. Als we wel eerder of later aten dan waren de poppen aan het dansen.

De anorexia haalde het slechtste bij mij naar boven en ik reageerde mijn gedrag af op mijn familie of op mezelf. 

Ik had pas ‘rust’ als alles ging zoals ik het graag wilde. Vermoeiend. Vermoeiend voor mij maar ook voor mijn familie. Zij moesten zich van mij aan mij aanpassen. Controle is een factor die sterk geassocieerd wordt met anorexia. Deze cyclus wordt langzaamaan een obsessie en is vergelijkbaar met een verslaving. Door mijn perfectionisme en doordat ik alles op mijn manier wilde doen was mijn spontaniteit en flexibiliteit ver te zoeken. Het moest volgens de regels, in de juiste volgorde en zoals het in het hoofd zat. Hierdoor verloor ik vaak de hoofdzaak uit het oog. Hoewel ik van nature een hartelijk en attent persoon ben, was de Sofie met eetstoornis geen gezellig gezelschap.

Op sommige momenten was ik echt heel gemeen. Kom niet aan mijn eetstoornis!

Het bezighouden met de regels en procedures was als het ware in mijn karakter gaan zitten, het onverwachte kon ik moeilijk toelaten en het leek alsof ik weinig gevoel voor humor had. Voor mijn anorexia had ik alles over. Ik paste mij in die tijd slecht aan en ondanks mijn onzekerheid kon ik mij behoorlijk autoritair opstellen. Uiteindelijk was ik bang om fouten te maken en daardoor onderhevig aan twijfels. Mijn reactie was niet voor niets altijd: "ja, maar…". Angst, hoge eisen die ik aan mezelf stelde en zelfhaat zorgde voor depressieve buien in die periode. Ondanks het feit dat ik graag erbij wilde horen, ging ik me juist meer afzonderen. Ik was bang dat andere mensen mij in de steek lieten als ze zagen wie ik echt was. In mijn ogen was ik namelijk een saai, lelijk persoon die niets kon. Ik haatte mezelf.

Er zijn tijden geweest dat ik mezelf dood wenste.

Gelukkig waren er ook tijden dat ik vrolijker in het leven stond. De momenten dat het beter met me ging hielden mij op de been. Periodes van verliefdheid ook. Ik geloofde niet dat er iemand was die mij leuk vond maar de behoefte om een relatie aan te gaan was er wel.  Door mijn innerlijke strijd had ik behoefte aan warmte van buitenaf. Iemand om gezellige dingen mee te ondernemen. Iemand die van mij hield en die mij niet in de steek zou laten. Ik heb kortdurende en lange relaties gehad. In het begin van deze relaties lukte het me redelijk goed om mijn eetstoornis te verbergen. Ik hoopte dat een relatie uiteindelijk zou bijdragen aan het overwinnen van mijn eetstoornis. Maar hoe langer de relatie duurde, hoe lastiger het werd om mijn eetgestoorde gedrag en mijn dwangmatigheden te onderdrukken. De eetstoornis kreeg ook op dit terrein de overhand. Het waren geen gemakkelijke tijden. En het was kliniek in, kliniek uit…

In juni 2003 heb ik mijn huidige vriend leren kennen. Wij hebben samen drie kinderen. In het begin van onze relatie heb ik niet meteen verteld dat ik een eetstoornis had want toen wij elkaar leerden kennen ging het best goed met mij. En ik was zo verliefd dat ik hoopte dat mijn eetstoornis spontaan zou verdwijnen. Het was een mooie gedachte, waar ik op dat moment echt in geloofde, maar niet realistisch. Ik dacht in 1995 ook dat ik weer zou gaan eten als ik een poes zou krijgen van mijn ouders. De poes is er gekomen maar mijn eetstoornis is er niet minder op geworden. Ook niet tijdens onze relatie. Gelukkig heeft de eetstoornis ons niet uit elkaar gedreven. Want naast leuke tijden waren er ook moeilijke tijden. We houden veel van elkaar maar we zijn op veel gebieden verschillend. In deze moeilijke tijden hebben we onder andere geleerd om elkaar meer te accepteren en om vaker met elkaar, op een goede manier, te communiceren.

De eerste twee zwangerschappen zijn voorbeelden van deze moeilijke momenten. Hoe blij we ook zijn met alle drie de kinderen, de zwangerschappen verliepen niet zoals ik het graag had gezien.

Het moment dat ik hoorde dat ik zwanger was van de oudste staat bij nog heel goed bij. Omdat ik door mijn anorexia jarenlang niet menstrueerde en omdat ik nachtelijke zweetbuien had was ik langs de huisarts gegaan om na te gaan of ik vervroegd in de overgang zat. De uitslag van de huisarts was daarom een grote verrassing toen ik hoorde dat ik zwanger was. Blijdschap en bezorgdheid wisselden zich af. Maar een ding stond als paal boven water, ik wilde er voor gaan. Ik wilde mama worden van het kindje in mijn buik. De langdurige misselijkheid van de zwangerschap zorgde ervoor dat ik mijn gewicht niet op peil kon houden. Ik viel zelfs af. En ook geestelijk voelde ik me allesbehalve sterk. Ik liet mij opnemen in een gespecialiseerde kliniek voor eetstoornissen waar ik vaker was opgenomen. Ik vond dit om verschillende redenen moeilijk. Ik was op die locatie al vaker opgenomen en nu was ik ook nog eens zwanger. Ik schaamde mij ontzettend. De opname in de kliniek en de steun van mijn familie en mijn klinisch verloskundige hebben mij op de been gehouden.

Ik moest in het ziekenhuis bevallen en na de bevalling moest ik een weekje in het ziekenhuis blijven om aan te sterken. Totaal onverwacht had mijn zoontje een heel mooi startgewicht tijdens zijn geboorte.

Ik was en ben daar nog steeds trots op. De tweede zwangerschap was plat gezegd ‘gepland’. Maar net als de eerste zwangerschap verliep deze niet in rozengeur en maneschijn. Ik was de eerste twintig weken weer ontzettend ziek en het zelf stoppen met mijn antidepressiva maakte de zwangerschap erg zwaar. Lichamelijk en geestelijk kon ik de zwangerschap niet aan. Mijn moeder kreeg af en toe te horen dat mensen uit mijn omgeving mij egoïstisch vonden. De eerste zwangerschap was zwaar en nu koos ik als eetgestoorde weer voor een zwangerschap? Het deed mij zeer dat er achter mijn rug om gekletst werd. Toen ik weer moest worden opgenomen schaamde ik mij opnieuw voor de hulpverlening. Gelukkig haalde ik kracht uit de steun van mijn familie en natuurlijk uit mijn zoontje. Het was een pittige zwangerschap. Omdat ik niet aan de eisen van de kliniek voldeed moest ik eerder met de behandeling stoppen. Ik denk er niet graag aan terug.

Aan de bevalling heb ik juist wel hele mooie herinneringen.

De bevalling van mijn oudste dochter was en is voor heel speciaal. Vanwege mijn lage gewicht moest ik in het ziekenhuis bevallen. Maar door een onverwachte, turbo bevalling heb ik mijn dochter zelf ter wereld gebracht. Toen het hoofdje ‘geboren’ was, heb ik zelf met mijn handen mijn dochter vastgepakt en uit mijn buik/lijf gehaald. Zo bijzonder. Als ik eraan terugdenk voel ik weer de kracht die ik toen gebruikte om in mezelf te geloven. Een ‘tjakka moment’.

De bevalling heeft mij geleerd dat het ook goed kan gaan als je iets niet onder controle hebt. Kortom de bevalling was op meerdere punten een leermoment. Na deze bevalling heb ik, met behulp van een coach die aan huis kwam, gewerkt aan zelfinzicht. En stapje voor stapje voelde ik me, met alle ervaringen van de afgelopen jaren, zowel lichamelijk als geestelijk steeds sterker. Ik durfde angsten aan te gaan. Ik kon weer meer genieten en ik ben een HBO opleiding gaan volgen. De opleiding heeft bijgedragen aan een sterk reflecterend vermogen waardoor ik nu letterlijk en figuurlijk steviger met beide voeten op de grond sta. Ik heb me meer losgemaakt van mijn ouders en ik durf steeds meer te vertrouwen op mijn eigen kunnen en op mijn eigen mening. En als ik een keer een minder goede dag heb dan weet ik daar mee om te gaan. Wat me voorheen niet lukte is me nu wel gelukt: in juni 2013 heb ik mijn opleiding met positief resultaat afgerond. En tijdens de opleiding ben ik ondertussen bevallen van een tweede dochter. Dit keer zonder opname. Ik kan nu alweer zes jaar tegen mezelf zeggen dat ik goed genoeg ben. Ik ben niet perfect maar dat hoeft ook niet. Nu ik van mezelf niet meer hoef te streven geniet ik meer van het leven. Ik ben trots op mezelf!

Sofie Loots - Ervaringsdeskundige en Coach bij ISA Power